Ode aan die badmuts

*buiging*

Van alle zaken uit mijn zwemleven is er één stuk stof een constante gebleven.

Bikini’s, badpakken en tankini’s passeerden de revue. Van de meeste weet ik niet eens meer hoe ze eruit zagen. Of hoe ze zaten. Of ze billenkruipers waren. Slobberaars. Snelle drogers of lange druipers. Doorschenen. Verdwenen.

Een paar stuks waren wel memorabel. De witte bikini. Wit. Water. Need I say more? Hij ging zijn levensdoel vlot voorbij. Kreeg daarom al snel een andere bestemming. Bikini’s, en zeker witte, kunnen prima dienen als vlag.

’t Was een kort leven voor De Witte. Maar hoewel hij geheroriënteerd werd – noemen ze dat geen outplacement? – was het een leven waarvan de meeste bikini’s enkel kunnen dromen. Denk ik. Weet ik veel wat bikini’s denken.

Vòòr De Witte was er De Zwarte. Met haltertop. En daardoor erg vreemde tanlines wanneer ik te lang in de zon gelegen had.

De Oranje. Met maar één beugel. Ondersteuning? Doe het maar zelf. De zwaartekracht won. De beugelloze flap bleek trouwens niet bestand tegen de stuwing van het water. Na een (overigens altijd zeer strakke en spatwaterloze duik) ben ‘k net iets te vaak boven gekomen met een avant-gardistische look. Of: met één borst bloot. De Oranje verdween daarom ook. In de kast. Met het idee ooit opnieuw gebeugeld te zullen worden. Terwijl we beiden wisten dat dat niet zou gebeuren. En dat de kast het Vagevuur was. Een laatste halte voor oblivion.

Maar.

Een stuk bleek niet vatbaar voor de verderschrijdende tijd. Stond los van modegrillen. Was beugelloos en hield zich niet bezig met tanlines. Slobberde aan alle kanten. Was een druiper.

De badmuts.

Ze kwam maar in vier kleuren, waarvan de batch blauwe en rode zeer duidelijk het grootst was. Af en toe passeerde er eens een zwarte. En met heel veel chance had je de once in a lifetime experience om er eens een groene te zien. Het overkwam mij op zaterdag 17 maart 1990 om 13u47. In het zwembad van Tremelo. Geloof het of niet.

Over het nut van die stoffen badmutsen heb ik me lang het hoofd gebroken. Water tegenhouden deden ze niet. Haren bijeenhouden evenmin. De verplichting om ze te dragen werd netjes nageleefd, maar over de manier van opzetten bestonden weinig regels. Zo waren er achterdragers, die de badmuts zo ver mogelijk naar de achterkant van hun hoofd schoven. Een beetje achteloos. Zodat het leek alsof dat per ongeluk gebeurde. En dan semi-verbaasd aan hun hoofd voelden wanneer de badmeester hen erop wees dat ze mutsloos waren.

Er waren zijdragers. Die hetzelfde doel hadden als de achterdragers. Maar de schuine bedekking cooler vonden.

Er waren puntdragers, met een teut bovenop hun hoofd. En de strakkerds. Die met laag getrokken badmuts verwoed baantjes bleven trekken en zich weinig zorgen maakten over hun imago. (Over de diehards die een eigen plastieken badmuts meebrachten, wil ik het niet eens hebben. Jeez. Komaan.)

’t Was het eerste ding dat de zwemzak in ging, bij het schoolzwemmen. Het laatste dat eruit kwam. Het oudste. Minst modegevoelige. ’t Meest nutteloze. En ’t meest constante zwemstuk uit mijn jeugd. Een blauwe.

Mijn kindertijd ligt intussen al enkele decennia achter mij. Maar het zien van de blauw-wit-gestreepte kopjes van mijn dochters in het vakantiezwembad leert me dat sommige dingen nooit veranderen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s