Woensdagnamiddag, 11u54

11u54. Ongeveer. ’t Is moeilijk te lezen op de grote klok vooraan in de klas. Zes minuten nog. Zes lange minuten. En dan zal de bel gaan. Woensdagnamiddag. De klas zal leeglopen. In de richting van de grote poort. Of de bushalte. De fietsenkelder.

Ik droom weg. Hoor in de verte de stem van de leerkracht. Iets over natuurlijke getallen. Geen idee. Ik haakte enkele lessen geleden al af. Te moe om te volgen. Geen zin om opnieuw – als enige – mijn hand te moeten opsteken omdat ik het niet begrijp. Het gegniffel. De rollende ogen van de meisjes vooraan in de klas. Gefluister. Laat maar.

Ze denken dat ik het niet zie. Niet hoor. Niet voel. Dat vooral. Ik ben de stoere. De sterke. Dus ik zwijg. Staar naar m’n blad. En nog eens naar de klok. Bewegen die wijzers eigenlijk wel? Ik kijk rond. Het is stil in de klas. De leerkracht is gestopt met haar verhaal. Blijkbaar moeten we iets doen nu… Een oefening maken? Waarschijnlijk. Links van me zit Bo te zuchten en op haar potlood te kauwen. Ze strijkt een ontsnapt haarlokje achter haar oor.
Rechts heeft Ilias al een hele reeks oefeningen ingevuld. Ik probeer het paginanummer te lezen. 37? Denk ik. Ik blader en vind een reeks cijfers die voor mijn part Chinees zouden kunnen geweest zijn… Pak een potlood en doe alsof ik diep nadenk.

De klok. Hoe laat? Nog twee minuten.
Voor me zit Vic. Hij heeft nieuwe schoenen aan. Denk ik toch. Ze zijn nog spierwit. Ik kijk onder de bank naar mijn eigen afgesleten gympen. Die waren ook ooit wit. Nu een onbestemd grijs. Of beige? Ik zucht.

En eindelijk gaat de bel. Rond mij springt iedereen recht. Ze willen weg. Zo snel mogelijk. Naar huis. Of naar oma. En dan naar het voetbal, ballet of de manège. Ze spreken erover, de jongens en meisjes van mijn klas. Als ze naar de fietsenstalling lopen. En ik achter hen aansjok. Zie hen opgetogen vertrekken. En ik…

Ik heb geen hobby. Geen paard om te verzorgen. Geen voetbalvrienden. Ik heb nog nooit een hockeystok vastgehad. Of stick. Of hoe dat ding ook heet.
Op woensdag ga ik niet naar oma. Eet ik geen pannekoeken. Gaan we niet shoppen. Niks leuks doen.

Bij mij gaat het anders. Ik kom thuis in een leeg huis. Donker. Zoals altijd. De gordijnen blijven de hele dag naar beneden. Pa is er niet. Die zit waarschijnlijk in zijn stamkroeg. Waar ma is overdag, weet eigenlijk niemand. Ik heb het ooit gevraagd. Aan pa. En ik kreeg een mep. Net onder m’n oog. ’t Was blauw. Op school vertelde ik dat ik gevallen was. Niemand vroeg verder. Ik zweeg.

Eten doe ik soms. Als er iets is. Brood van een paar dagen oud. Met wat geluk nog een likje choco in de pot. Ook op school eet ik nauwelijks. ‘Vergeet’ m’n brooddoos vaak. Als de man van het secretariaat het merkt, geeft hij me een pakje crackers en een smeerkaasje.  De crackers eet ik op. Het kaasje bewaar ik voor later. Als een snoepje.

Ik vraag me af of de juffen het weten. En de meester van turnen? Dat ik moe ben omdat ik van pa ’s avonds de was moet doen. De strijk. Of pakjes moet aannemen van ‘vrienden’. Dat ik wakker lig van het lawaai. Het gegil. De politie soms.
En dat ik daardoor niet goed mee kan.
Of denken ze dat ik gewoon dom ben? De moeite niet om tijd in te steken. Een hopeloos geval?

Ik merk plots dat ik nog alleen in de klas sta. De rest van de leerlingen is al weg. Enkel de juf en ik pakken onze boekentassen nog in. Ze kijkt op. Ik doe alsof ik haar niet zie. Maak me onzichtbaar en klein. Een gewoonte intussen. Blijft ze kijken? Ik loer vanuit mijn ooghoeken. Ze glimlacht naar me. Komt naar me toe. Zegt m’n naam.

‘Evan?’
‘Evan?’, herhaalt ze. ‘Je bent aan het dromen. Is alles ok met je?’
Ze zet zich neer op de stoel van Vic. Draait zich naar mij. Probeert mijn blik te vangen. De hare is bezorgd. Zacht.

Ik kijk haar aan. Kan niet meer. Zak op m’n stoel en begin te huilen. De tranen komen en ik kan ze niet stoppen. Zoek naar een zakdoek. Vind er geen en veeg m’n neus met m’n mouw. Een natte veeg blijft achter.


Woensdagvoormiddag. Bijna 12 uur. Ik kijk op de klok achter me. De tijd lijkt stil te staan.
Ik praat op automatische piloot. Weet hoe het gaat. Waarop ik moet letten. Nadrukken moet leggen. Als vanzelf verschijnen letters en cijfers op het bord. Wiskunde. Voor mij. Mijn job. Voor de leerlingen bijna onverstaanbaar. Hun marteling.
Terwijl ik uitleg wat natuurlijke getallen zijn, kijk ik de groep aan. Ze zijn moe. Willen naar huis.
Nog even, denk ik. Dan gaat de bel.

Ik ben klaar met mijn uitleg. Tijd voor oefeningen. Ik geef de instructie en ze gaan aan het werk.
Even rust. Mijn dagen zijn zwaar. Niemand die dat weet. Of ernaar vraagt. Zich ervoor interesseert. Aan de buitenkant is alles ok. Zo close zijn we niet, we vragen niet verder. Collega’s, vakgenoten, maar geen vrienden.

Gezucht vanuit de klas. Waarvandaan? Bo waarschijnlijk. Een lief meisje. Maar ze heeft het moeilijk met wiskunde. Te abstract. De bijlessen lijken niet te helpen. En haar ouders verwachten zo veel.

Ze kijkt op, naar mij. Ik glimlach. Knik bemoedigend. Toe maar, probeer maar. Je kan het wel. Niet opgeven. Probeer ik haar te zeggen met dat lachje. Ze staart opnieuw naar haar blad. Ik hoor de wijzers verspringen. Bijna tijd. Morgen help ik haar. Laat haar eerst maar eens even zelf proberen.

Rechts van Bo zit Evan. Hij is er niet bij. Droomt. Kijkt naar zijn schoenen. Pakt toch zijn boek en zoekt de juiste bladzijde. Heeft hij wel iets gehoord van wat ik net vertelde? Ik betwijfel het. Hij lijkt soms van een andere planeet te komen. Dat hoor ik ook van de andere leerkrachten.
‘Evan? Ik snap niet wat die hier zit te doen!’
‘Hij zou echt van richting moeten veranderen…’
‘Dit is te zwaar voor hem, hij kan beter zakken.’

’t Is waar. Het lukt hem niet. Maar ik denk niet dat hij het niet kàn. Dat hij niet slim genoeg is, niet sterk genoeg. Ik denk dat hij wel in deze richting past. Maar er is iets. Wat hem afleidt. Ik weet alleen niet wat. Morgen spreek ik hem eens aan, neem ik me voor. Tussen twee lessen, tijdens de pauze. Gewoon, snel. Even een praatje.

Eindelijk! De bel.
Gerommel. Gebabbel. De deur gaat open. De klas loopt leeg. De vrijheid van woensdagmiddag in. Veel plannen. Vrolijkheid.
Iedereen is weg. Rust.
Nee. Evan staat er nog. Hij kijkt weg als hij merkt dat ik hem gezien heb. Het is bijna alsof hij zich onzichtbaar wil maken.

Ik twijfel even. Ben zo moe. Moet eigenlijk weg. De instelling belde me. Pa heeft het weer moeilijk gehad.
Ze moeten maar even wachten. Die paar minuten.

‘Evan?’
Hij hoort me niet.

‘Evan? Je bent aan het dromen. Is alles ok met je’
Ik pak de stoel van Vic en draai hem om. Zet me neer. Probeer de blik van Evan te vangen.
Verdriet. Dat is wat ik zie wanneer hij me eindelijk aankijkt. Teveel voor zo’n jongen. Ik maak me zorgen.

Hij zakt neer. Begint onbeheersbaar te snikken. De tranen stromen. Hij zoekt een zakdoek. Ik sta op en neem een pakje Kleenex van de tafel vooraan. Hoor m’n gsm trillen. Een oproep. Nu niet.
Ik draai me opnieuw op naar Evan. Een hoopje ellende in m’n klas. Op z’n mouw een natte veeg.

2 gedachtes over “Woensdagnamiddag, 11u54

  1. Scherp en realistisch geschreven waardoor je al snel meeleeft.
    Niet dat hier perse een oordeel over moet vallen maar toch zeg ik graag dat ik het knap vind. 🙂

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s